Naar de inhoud

Je weet dat DUMAVA kansen biedt. De vraag is alleen of je jouw aanvraag zo voorbereidt dat die ook echt kans maakt. In de praktijk zien we dat het hier vaak misgaat. Niet omdat plannen slecht zijn, maar omdat voorbereiding, timing en onderbouwing net niet scherp genoeg zijn. Herken je dit bij jouw organisatie? Dan is dit artikel voor jou.

Begin eerder dan je denkt

Veel organisaties starten pas als de openstelling in zicht komt. Dat is begrijpelijk, maar meestal te laat. Een kansrijke aanvraag vraagt tijd. Denk aan het op orde brengen van energielabels en verbruiksdata, het laten opstellen van een energie- of maatwerkadvies en het afstemmen van keuzes met bestuur, financiën en uitvoering. Bovendien mag een energie- of maatwerkadvies bij aanvraag niet ouder zijn dan 2 jaar. In combinatie met doorlooptijden en besluitvorming is die marge sneller weg dan je denkt. Werk daarom terug vanaf de openstelling en start je voorbereiding minimaal 6 maanden van tevoren.

Toets je gebouw zo vroeg mogelijk

Niet elk gebouw valt automatisch binnen DUMAVA. Je komt in aanmerking als je eigenaar bent, het gebouw een publieke of maatschappelijke functie heeft en je het zelf gebruikt.

Twijfel je hierover? Dan is dit het moment om dat te toetsen. Een aanvraag die hier strandt, kost onnodig tijd en energie.

Kies bewust je aanvraagvorm

DUMAVA kent 2 routes. Welke je kiest, heeft grote invloed op je voorbereiding en je subsidiepercentage.

Bij losse maatregelen vraag je subsidie aan voor 1 of meer maatregelen uit de maatregelenlijst van RVO. Een energieadvies is hierbij niet altijd verplicht, maar een goede technische onderbouwing wel.

Bij integrale verduurzaming dien je een aanvraag in op basis van een samenhangend plan, ondersteund door een energie of maatwerkadvies. Dat vraagt meer voorbereiding, maar levert vaak een hoger subsidiepercentage op.

Wij zien in de praktijk dat integrale aanvragen sterker zijn. Ze laten zien dat je structureel werkt aan de verduurzaming van je vastgoed. Dat sluit goed aan bij de bedoeling van de regeling.

Zorg voor een onderbouwing die klopt

Een sterke aanvraag bestaat uit meer dan een ingevuld formulier. Denk aan:

  • een energie of maatwerkadvies van een erkende adviseur, niet ouder dan 2 jaar;
  • een duidelijke toelichting op de maatregelen en de volgorde waarin je ze uitvoert;
  • een realistische kostenraming, bij voorkeur onderbouwd met offertes;
  • een overzicht van andere subsidies. Cumulatie met SDE++ of ISDE is onder voorwaarden toegestaan en geef je altijd expliciet op;
  • een haalbare planning voor uitvoering.

Veel afwijzingen ontstaan door onvolledigheid. Neem daarom de tijd om je aanvraag kritisch te controleren voordat je indient.

Kijk verder dan alleen de subsidie

Toch is subsidie zelden de enige reden om te investeren. Voor een goed bestuurlijk besluit wil je het volledige plaatje zien.

Wat investeer je in totaal? Wat levert het op aan energiebesparing? Hoe verhoudt dit zich tot gepland onderhoud? Wat betekent het voor comfort en gebruik van het gebouw? En hoe ziet de businesscase eruit als je geen subsidie krijgt? Door deze vragen mee te nemen, bouw je een investeringsverhaal dat ook zonder DUMAVA overeind blijft.

En als het budget op is?

DUMAVA werkt met een subsidieplafond. In eerdere rondes was het budget snel uitgeput. Dat maakt timing belangrijk, maar het hoeft geen showstopper te zijn.

Zorg dat je aanvraag bij opening direct compleet is en dien vervolgens zo vroeg mogelijk in. En houd altijd rekening met een scenario zonder subsidie. Zo blijf je in regie, ongeacht de uitkomst.

Waar sta jij nu?

Een kansrijke DUMAVA-aanvraag is geen toeval. Het is het resultaat van duidelijke keuzes, goede voorbereiding en realistische planning.

In welke fase zit jouw organisatie op dit moment? Ben je al aan het voorbereiden of moet je nog starten? Wil je sparren over jouw situatie of toetsen of je goed op koers ligt? Neem contact op met Ignite Group voor een verkennend gesprek.

Wil je eerst weten wat DUMAVA precies is? We schreven er eerder een uitgebreide introductie over.

Let op: voorwaarden, subsidiepercentages en budgetten kunnen per jaar wijzigen. Neem altijd contact op met onze adviseurs voor actuele informatie.

De nuchtere realiteit achter de energietransitie

De ambitie om te verduurzamen is bij de Nederlandse industrie volop aanwezig, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Waar de energietransitie een paar jaar geleden nog vooral een boardroomdiscussie was over verre toekomstdoelen, lopen bedrijven vandaag de dag tegen fysieke en economische grenzen aan. De transitie stokt niet door een gebrek aan wilskracht, maar door een optelsom van netcongestie, een onbalans tussen vraag en aanbod en de harde realiteit van rendementen.

De komende twee tot vijf jaar zullen de uitdagingen alleen maar toenemen. We bewegen van een fase van vrijblijvend stimuleren naar een fase van reguleren. De ‘wortel’ maakt plaats voor de ‘stok’ in de vorm van strengere wet- en regelgeving, zoals verplichte quota voor de afname van groene waterstof in de industrie. Bedrijven willen dus vooruit, maar stuiten op grenzen.

De barrières in de praktijk

In de dagelijkse praktijk van verduurzamingsprojecten zien we dat bedrijven tegen drie structurele muren aanlopen: kosten, beschikbaarheid en infrastructuur.

Het fundament van ons huidige energiesysteem wankelt door de verschuiving naar aanbodgedreven energieopwek. Waar we vroeger een gascentrale simpelweg een standje hoger konden zetten wanneer de vraag toenam, zijn we nu afhankelijk van wanneer de zon schijnt of de wind waait. Dit zorgt voor een structurele onbalans die niet alleen op dagniveau, maar ook over de seizoenen heen speelt.

De verschuiving naar aanbodgedreven opwek vergroot de variatie en piekbelasting op het elektriciteitsnet. In combinatie met beperkte netcapaciteit leidt dit tot het huidige probleem van netcongestie. Bedrijven die willen elektrificeren om van het aardgas af te stappen, krijgen simpelweg geen zwaardere aansluiting meer. Het stroomnet zit vol.

Daarnaast zijn de investeringskosten voor technologieën zoals grote batterijsystemen of elektrolysers momenteel erg hoog. Hoewel de wil er is, moet een investering bedrijfseconomisch verantwoord blijven. Ook de beschikbaarheid van groene waterstof in Nederland is op dit moment nog verwaarloosbaar klein. Het aanleveren via trailers is inefficiënt en de broodnodige landelijke infrastructuur, de ‘backbone’, is nog in ontwikkeling.

Zoektocht naar werkbare oplossingen

Wanneer elektrificatie vastloopt en het net geen ruimte biedt, ontstaat vanzelf de vraag: wat kan er dan nog wél? Binnen dit complexe krachtenveld worden verschillende oplossingsrichtingen verkend, zoals energieopslag, lokale energiehubs en andere alternatieve energiedragers. Decentrale oplossingen, zoals lokale energiehubs, helpen bedrijven om op kleinere schaal opwek,

opslag en verbruik met elkaar in balans te brengen. Zo kunnen clusters van bedrijven gezamenlijk netcongestie omzeilen en onafhankelijker worden van het landelijke net.

Naast deze systeemgerichte oplossingen wordt ook gekeken naar specifieke energiedragers. Waterstof is daarbij één van de opties die veel aandacht krijgt. Niet als wondermiddel, maar als mogelijke bouwsteen binnen een breder energiesysteem.

Wanneer biedt waterstof een meerwaarde?

  • Seizoensopslag: om overschotten aan duurzame energie uit de zomer te bewaren voor de energievraag in de winter.
  • Moeilijk te elektrificeren processen: voor industriële productieprocessen waarbij elektriciteit technisch (nog) geen alternatief biedt voor de benodigde hitte.
  • Zwaar transport: voor toepassingen waarbij batterijen te zwaar zijn of een te beperkte actieradius hebben.

Waarom waterstof geen heilige graal is

Hoewel waterstof ongetwijfeld een belangrijke rol zal spelen in het toekomstige energiesysteem, vraagt de toepassing ervan om een realistische blik. Het maken van groene waterstof is namelijk een energie-intensief en relatief inefficiënt proces. Wanneer je de gehele keten bekijkt (van de opwek van elektriciteit door een windmolen tot aan het uiteindelijke gebruik in bijvoorbeeld een vrachtwagen of productieproces) blijft er vaak maar ongeveer 20% van de oorspronkelijke energie over. Ter vergelijking: directe elektrificatie is vele malen efficiënter omdat er nauwelijks omzettingsverliezen zijn.

Innovaties zullen zich de komende jaren daarom minder moeten richten op waterstof als de ‘heilige graal’ en meer op het verhogen van efficiëntie en het verlagen van de kostprijs. Denk aan batterijen die minder afhankelijk zijn van schaarse metalen, zoals zoutbatterijen, of elektrolysers met een hoger rendement. Uiteindelijk wint niet de partij met de grootste ambities, maar de partij die innovatie weet om te zetten in een rendabele en haalbare businesscase. Deze businesscase is niet alleen technisch en financieel haalbaar, maar ook solide genoeg om subsidies en investeerders te overtuigen.

Het belang van een gedegen vooronderzoek

Bedrijven beginnen vaak te laat met het doorgronden van hun specifieke businesscase. Er wordt soms gehaast een subsidie aangevraagd zodra er een regeling opent, zonder dat de technische en financiële haalbaarheid volledig is uitgezocht.

Een succesvolle transitie begint bij een gedegen voorstudie. Hierin breng je exact in kaart hoeveel vermogen je nodig hebt en welke verduurzamingspaden (elektrisch, waterstof of een hybride vorm) echt rendabel zijn. Zo’n studie helpt niet alleen bij het maken van de juiste interne keuzes, maar is ook cruciaal om subsidieverstrekkers en financiers te overtuigen van de kwaliteit van het project.

Ook het vroegtijdig starten van vergunningstrajecten is essentieel; bij waterstofprojecten is dit vaak een onderschatte vertragende factor.

Subsidies zijn daarbij een katalysator, geen wondermiddel. Er is een breed scala aan subsidieregelingen beschikbaar voor innovatie en investeringen in de energietransitie, zoals de TSE-industrie, WBSO, MIT en specifieke regelingen voor waterstofproductie en -toepassingen. Subsidies kunnen een aanzienlijk deel van de meerkosten compenseren, maar maken een project niet automatisch financieel haalbaar. Een realistische businesscase en duidelijke financiering van het eigen aandeel blijven randvoorwaardelijk.

Conclusie

De energietransitie is voor de industrie geen lineair proces, maar een zoektocht naar de juiste balans tussen innovatie en realiteitszin. Waterstof is een onmisbaar puzzelstuk, maar geen universele oplossing voor elk energieprobleem.

Bedrijven die nu het voortouw nemen, zijn de bedrijven die niet wachten op de perfecte infrastructuur, maar die vandaag al investeren in kennis en gedegen voorstudies. Door scenario’s door te rekenen en de businesscase centraal te stellen, voorkom je dat je investeert in een techniek die morgen achterhaald of simpelweg te duur blijkt te zijn.

Ignite Group begrijpt deze dilemma’s. Wij zijn niet alleen de partij die de subsidieaanvraag schrijft, maar denken mee als inhoudelijk sparringpartner. We kennen de regelingen, maar vooral ook de praktijkproblemen waar jij als ondernemer tegenaan loopt. Samen kijken we naar wat écht werkt voor jouw specifieke situatie, zodat verduurzaming geen theoretisch doel blijft, maar een haalbare realiteit wordt.

Wil je meer weten of heb je vragen over dit onderwerp? Neem contact met ons op.

Veel eigenaren van maatschappelijk vastgoed weten dat verduurzaming nodig is. De energiekosten lopen op, de beleidsdruk neemt toe en verouderde gebouwen vragen om actie. Maar waar begin je? En hoe financier je dat verstandig?

De DUMAVA-regeling biedt hier concreet antwoord op. In dit eerste deel leggen we uit wat de regeling inhoudt, voor wie de regeling is bedoeld en hoe je in aanmerking kunt komen.

Wat is DUMAVA? 

DUMAVA staat voor Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed. Het is een subsidieregeling van de Rijksoverheid, uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De regeling ondersteunt eigenaren van maatschappelijk vastgoed bij het nemen van energiebesparende maatregelen, zowel losse ingrepen als integrale verduurzamingsprojecten.

De regeling werkt met jaarlijkse openstellingsrondes (1 juni 2026 tot 16 oktober 2026) en een subsidieplafond. In eerdere tranches was het budget vroegtijdig uitgeput. Wie goed voorbereid is, staat sterk.

Let op: voorwaarden, subsidiepercentages en budgetten kunnen per jaar wijzigen. Neem altijd contact op met onze adviseurs voor actuele informatie. Dit artikel is gebaseerd op de stand van zaken per 27 februari 2026.

Voor wie is de regeling bedoeld? 

DUMAVA richt zich op eigenaren van maatschappelijk vastgoed met een publieke of maatschappelijke functie. Denk aan:

  • gemeenten en overheidsorganisaties;
  • zorgorganisaties;
  • scholen en onderwijsinstellingen;
  • culturele instellingen;
  • religieuze organisaties en stichtingen.

Hierbij gelden twee harde voorwaarden: je bent eigenaar van het vastgoed, huurders komen niet in aanmerking. Het gebouw heeft een publieke of maatschappelijke functie die je zelf gebruikt.

Wat subsidieert DUMAVA? 

DUMAVA vergoedt een deel van de kosten voor energiebesparende maatregelen. Je kiest uit 2 routes:

  1. Losse maatregelen Je vraagt subsidie aan voor 1 , 2 of 3 maatregelen uit de subsidiabele maatregelenlijst van RVO. Denk aan isolatie, HR-glas of een warmtepomp.
  2. Integrale verduurzaming Je dient een aanvraag in op basis van een samenhangend verduurzamingsplan, ondersteund door een energie- of maatwerkadvies. Dit vraagt meer voorbereiding, maar levert in de meeste gevallen een hoger subsidiepercentage op.

 

Voor integrale projecten geldt dat het energieadvies of maatwerkadvies op het moment van aanvragen niet ouder mag zijn dan 2 jaar. De subsidiabele bedragen lagen in 2024 tussen € 5.000 en € 2.500.000 per aanvraag. Deze bedragen kunnen jaarlijks wijzigen.

Cumulatie met andere subsidies, zoals SDE++ of ISDE, is onder voorwaarden toegestaan. Je geeft dit altijd expliciet op bij de aanvraag.

Kom jij in aanmerking? 

Stel jezelf de volgende vragen:

  1. Ben je eigenaar van het gebouw?
  2. Heeft het gebouw een publieke of maatschappelijke functie?
  3. Gebruik je het gebouw zelf?

 

Als je alle drie de vragen met ja kunt beantwoorden, maak je kans op een bijdrage. De exacte toetsing hangt af van de definitie die RVO hanteert en de categorie waarin jouw vastgoed valt.

Wil je alvast weten of jouw vastgoed kwalificeert? Neem contact op met Ignite Group voor een verkennend gesprek.

Over de noodzaak van echt samenspel en gedeeld risico

De Nederlandse maakindustrie staat bekend om haar pragmatisme, technische vindingrijkheid en de ‘niet lullen maar poetsen’-mentaliteit. Toch is er iets aan de hand. In de wandelgangen van productiehallen en tijdens strategische overleggen klinkt steeds vaker een geluid van aarzeling. Hoewel de orderportefeuilles vaak nog gevuld zijn, lijkt de motor van de structurele vernieuwing te haperen. Innovatie in de maakindustrie stagneert momenteel niet door een gebrek aan goede ideeën, maar door een complexe cocktail van economische onzekerheid, ketenafhankelijkheid en een fundamenteel misverstand over wat innovatie eigenlijk is.

In dit artikel duiken we in de barrières die mkb-ondernemers momenteel ervaren. Het beeld dat naar voren komt is dat van een sector die op een kruispunt staat: vasthouden aan de bewezen methodes van gisteren of de sprong wagen naar de onzekere, maar noodzakelijke kansen van morgen.

De uitdagingen in de keten

Een van de meest prominente knelpunten in de maakindustrie is de sterke afhankelijkheid binnen de keten. Veel mkb’ers in deze sector, denk aan toeleveranciers in de frees- en draai-industrie, zijn nauw verbonden met een handvol grote internationale spelers. Wanneer een gigant als ASML pas op de plaats maakt door internationale onvoorspelbaarheid en economische spanningen, trilt dat direct door naar de haarvaten van het mkb.

De natuurlijke reflex bij deze ondernemers is behoudendheid. Op het moment dat de markt onvoorspelbaar wordt, is innovatie vaak het eerste dat wordt uitgesteld. Het risico wordt simpelweg te groot geacht om nu te investeren in projecten waarvan de ROI (Return on Investment) niet direct op de balans zichtbaar is. Hierdoor ontstaat echter een gevaarlijke paradox: juist op het moment dat de markt verschuift, is vernieuwing nodig om relevant te blijven, maar de onzekerheid over diezelfde markt drukt de innovatiekracht de kop in.

Een ander structureel probleem is de manier waarop samenwerking in de sector is ingericht. In theorie is iedereen voorstander van krachtenbundeling, maar in de praktijk blijft de relatie vaak beperkt tot die van klant en leverancier. Er wordt gewerkt tegen een aanneemsom, waarbij de ene partij vraagt en de andere partij uitvoert.

Echte innovatie, zeker wanneer er aanspraak wordt gemaakt op subsidies zoals de MIT, vraagt echter om gezamenlijke risico’s en gedeelde investeringen. Het is juist dat laatste stuk (het instoppen van eigen kapitaal in een gezamenlijk project met een onzekere uitkomst) waar veel mkb’ers afhaken. De angst dat de ander er meer vandoor gaat met de vruchten van de innovatie, of dat de investering in onzekere tijden te spannend is, zorgt ervoor dat veelbelovende projecten nooit van de grond komen. Er is een gebrek aan formele samenwerkingsverbanden waarin risico’s op een eerlijke manier worden gedeeld.

Innovatie is niet het wiel opnieuw uitvinden

Naast externe factoren speelt er ook een interne belemmering: een misverstand over de definitie van innovatie. Veel ondernemers denken nog steeds dat ze het wiel opnieuw moeten uitvinden om in aanmerking te komen voor ondersteuning of om zichzelf ‘innovatief’ te mogen noemen. Ze zoeken naar oplossingen die nieuw zijn voor de wereld of de gehele Nederlandse markt.

De realiteit is echter veel laagdrempeliger. Innovatie gaat in de kern om kennisontwikkeling. Het moet nieuw zijn voor het bedrijf zelf. Of het nu gaat om een efficiënter productieproces, het toepassen van een nieuwe techniek die elders al bestaat maar binnen de eigen muren nog niet, of het scholen van personeel om breder inzetbaar te zijn; het zijn allemaal vormen van innovatie. Dit wordt structureel onderschat, waardoor veel bedrijven kansen laten liggen om hun concurrentiepositie te verstevigen.

Uiteindelijk zit die nieuwe kennis niet alleen in machines of processen, maar vooral in de hoofden en handen van de mensen die het werk uitvoeren. En precies daar wringt de schoen momenteel in de maakindustrie: want hoe ontwikkel je die broodnodige kennis als de juiste mensen steeds lastiger te vinden zijn?

De verborgen kosten van het personeelstekort

Innovatiekracht hangt onlosmakelijk samen met de beschikbare handjes en hoofden. Het tekort aan allround technisch personeel is in de maakindustrie inmiddels een chronisch probleem. Waar vroeger de technicus ‘alles’ kon, komen schoolverlaters nu vaak binnen met een zeer gespecialiseerd en gefragmenteerd kennisniveau.

Voor een mkb’er is die hyperspecialisatie lastig. Er is behoefte aan mensen die breed inzetbaar zijn en verschillende onderdelen van een productieproces of project kunnen overzien. Het opvangen van dit gat vraagt om tijd, scholing en training. Hier ligt een directe link met innovatie: door te investeren in de brede inzetbaarheid van het eigen personeel, vergroot een bedrijf zijn eigen adaptieve vermogen. Regelingen zoals de SLIM-regeling kunnen hierbij als katalysator werken. Het lost het tekort niet op door nieuwe mensen erbij te toveren, maar het verhoogt het niveau van het bestaande team waardoor de medewerkers breder inzetbaar zijn. Dit verhoogt het adaptief vermogen van je organisatie.

Subsidies als middel, niet als doel

In het speelveld van innovatie worden subsidies vaak gezien als een ‘quick win’ of gratis geld. Dit is een gevaarlijke valkuil. Een subsidie, of het nu de WBSO, MIT of DHI is, moet een middel zijn om een strategisch doel te bereiken, nooit het doel op zich.

In de praktijk gaat het hier vaak mis door te optimistische planningen en begrotingen. Ondernemers starten enthousiast met project A, maar gaandeweg verschuift de focus door technische uitdagingen of marktveranderingen naar project B of C. Als de administratie dan niet nauwgezet is bijgehouden of als de projectdoelen te ver afdwalen van de oorspronkelijke aanvraag, ontstaan er grote problemen bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. Een goede relatie tussen de ondernemer en een consultant is hierin cruciaal. De consultant fungeert hier niet als iemand die enkel het formuliertje invult, maar als een kritische sparringpartner.

Hoe goed is subsidieadvies van AI?

In dit landschap van innovatie en administratieve lastdruk duikt ook AI op. Er bestaat vaak een misverstand dat AI de consultant overbodig maakt of zorgt voor een enorme tijdsbesparing. De realiteit bij Ignite Group is anders: AI wordt ingezet om de kwaliteit en volledigheid van de aanvragen te verhogen. Het helpt om scherpere verbanden te leggen tussen de innovatie van de ondernemer en de specifieke doelstellingen van een regeling. Het zorgt voor detail en textuele focus, waardoor de kans op succes toeneemt.

Hoewel AI in de subsidiewereld dus al een rol speelt, blijft de adoptie binnen de maakindustrie zelf vooralsnog beperkt. Een technisch probleem of een klantvraag laat zich niet altijd vertalen naar een simpele chatbot-opdracht; het vakmanschap en de interpretatie van de ontwerper blijven de kern.

Wat wél werkt: lef en realisme

Ondanks de onzekerheid en de knelpunten zijn er genoeg voorbeelden van hoe het wel kan. Succesvolle innovatietrajecten beginnen bij ondernemers met een duidelijke visie en een gezonde dosis energie. Zij zien subsidies niet als een financiële pleister, maar als een manier om de ruimte binnen regelingen optimaal te verkennen en creatieve oplossingen te financieren.

In sectoren zoals de aardappelveredeling of de machinebouw zien we dat ondernemers die durven te spelen met tijdlijnen, investeringsbedragen en samenwerkingsvormen, uiteindelijk de meeste meerwaarde halen uit hun innovatie-inspanningen. Zij gebruiken de consultant om alle opties en de uiterste grenzen van de regelingen op te zoeken, binnen de kaders van de wet.

Conclusie: de blik vooruit

Innovatie in de maakindustrie vraagt momenteel om lef. Lef om ondanks een onvoorspelbare markt toch te investeren in kennisontwikkeling. Lef om over de schutting te kijken en echte samenwerkingsverbanden aan te gaan waarbij risico’s worden gedeeld. Maar het vraagt ook om de interne scherpte om innovatie niet te zien als iets ‘wereldnieuws’, maar als de dagelijkse verbetering van de eigen organisatie en het eigen personeel.

Ignite Group helpt ondernemers met het aanpakken van de uitdagingen rondom innovatie in de maakindustrie. We zijn namelijk niet alleen een uitvoerder die enkel het papierwerk doet. We zijn ook een sparringpartner die je uitdaagt om verder te kijken dan de waan van de dag. Onze consultants kijken met je mee naar wat er mogelijk is en bieden je nieuwe inzichten. In een tijd waarin alles lijkt vast te lopen, is het juist die kritische blik en de bereidheid om de ruimte op te zoeken die het verschil maakt tussen stilstaan en een voorsprong nemen.

Zit je zelf in een traject waarbij de innovatie dreigt te stagneren door onzekerheid of moeizame samenwerking? Laten we eens vrijblijvend sparren over de mogelijkheden binnen de huidige regelingen en hoe we jouw project weer vlot kunnen trekken.

Minister Tieman van Infrastructuur en Waterstaat heeft het startschot gegeven voor het programma Fietsveiligheid Voorop. Binnen dit programma is in totaal € 41 miljoen beschikbaar voor organisaties met goede plannen om de fietsveiligheid te verbeteren. Het subsidieprogramma wordt uitgevoerd door ZonMw en loopt van 2026 tot en met 2030, waarbij de subsidies worden verstrekt in meerdere rondes.

Organisaties met plannen om de fietsveiligheid te verbeteren kunnen subsidie aanvragen. De eerste twee subsidierondes richten zich op twee thema’s. De eerste ronde focust op het verminderen van risicogedrag of het valrisico rondom fietsen, met specifieke aandacht voor bestaande initiatieven waarvan de effectiviteit nog niet bewezen is. Voorbeelden zijn driewielfietsen, trainingen voor ouderen of lokale gedragscampagnes. De tweede ronde richt zich op het vergroten van kennis over fietsveiligheid, waarbij gezocht wordt naar nieuwe en effectieve maatregelen zoals het verminderen van drukte op fietspaden, het tegengaan van enkelvoudige fietsongevallen en het veiliger inrichten van de weg.

Voor gemeenten biedt dit programma kansen om lokale fietsveiligheidsinitiatieven te financieren en bij te dragen aan een veiliger fietsklimaat. Denk aan het aanpakken van gevaarlijke kruispunten, het organiseren van fietstrainingen voor kwetsbare groepen of het opzetten van gedragscampagnes. In de toekomst komt er ook subsidie beschikbaar voor kennisdeling tussen beleid, praktijk en onderzoek, bijvoorbeeld voor het organiseren van congressen of kennissessies.

De eerste twee subsidierondes gaan naar verwachting open in het tweede kwartaal van 2026. Houd de website van ZonMw in de gaten voor de exacte openstellingsdata en meer informatie over de aanvraagprocedure.

De European Innovation Council (EIC) heeft de call EIC Pathfinder Open 2026 geopend. Het programma ondersteunt onderzoeks- en deeptechprojecten met een hoge mate van wetenschappelijke ambitie, gericht op de verkenning van gedurfde ideeën voor radicaal nieuwe technologieën. Voor deze openstelling is een budget van € 166 miljoen beschikbaar. Aanvragen kunnen worden ingediend tot en met 12 mei 2026.

Pathfinder richt zich op de vroege ontwikkeling van toekomstige technologieën tot proof of concept. Typische aanvragers zijn wetenschappers en ondernemende onderzoekers van universiteiten, onderzoeksorganisaties, start-ups, hightech-mkb’ers en industriële partijen met interesse in technologisch onderzoek en innovatie. Projecten worden doorgaans uitgevoerd door consortia van onderzoekers en partners uit ten minste drie verschillende landen, maar er is ook ruimte voor individuele teams en kleine consortia van twee partners.

Subsidies bedragen tot € 4 miljoen per project. Daarnaast kunnen Pathfinder-projecten aanvullende financiering ontvangen voor het testen van het innovatiepotentieel van onderzoeksresultaten.

Organisaties die werken aan baanbrekende technologie-ontwikkeling en die voldoen aan de consortiumvereisten, kunnen een aanvraag indienen vóór 12 mei 2026

Het Innovatieprogramma Funderingen stelt € 2,7 miljoen beschikbaar voor innovaties die funderingsschade helpen voorkomen en funderingsonderzoek en -herstel op grotere schaal mogelijk maken. Het programma is een samenwerking tussen het Rijk en TKI Bouw en Techniek en maakt onderdeel uit van de Nationale Aanpak Funderingen, waarvoor tot eind 2028 € 56 miljoen beschikbaar is. De inschrijving opent naar verwachting op 20 maart 2026 en sluit op 29 mei 2026.

De urgentie is groot: mogelijk meer dan 425.000 panden in Nederland worden getroffen door funderingsschade, waarvan bij 25.000 panden herstel binnen vijf jaar noodzakelijk is. De huidige uitvoeringscapaciteit ligt op slechts circa 1.000 panden per jaar, terwijl gebouwen ouder worden, de bodem daalt en het klimaat verandert. Het programma richt zich op drie veelvoorkomende funderingstypen: houten paalfunderingen, ondiepe funderingen op slappe bodem zoals veen en klei, en ondiepe funderingen op zwel- en krimpgevoelige bodems.

Het programma zoekt praktische innovaties die op meer plekken kunnen worden toegepast, zoals nieuwe technieken die funderingsschade voorkomen, doorlooptijden verkorten, kosten verlagen en arbeidsproductiviteit verhogen. Naast organisaties die al actief zijn in funderingsonderzoek en -herstel, worden ook partijen uit de bredere bouwketen en bedrijven buiten de sector aangemoedigd om deel te nemen. Organisaties die werken aan schaalbare technologieën zoals AI, data-analyse en robotisering worden nadrukkelijk uitgenodigd samenwerkingen te vormen.

Projecten kunnen een subsidie ontvangen van minimaal € 75.000 tot maximaal € 400.000 inclusief BTW, waarbij de subsidieaanvraag maximaal 70% van de subsidiabele investeringen betreft. Deelnemers kunnen meerdere projecten indienen. Op 16 april 2026 wordt tijdens het KCAF Funderingscongres een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd. De definitieve uitvraag inclusief inhoudelijke scope verschijnt medio maart 2026 op de website van TKI Bouw en Techniek.

De subsidieregeling grote restauratieopgaven niet-woonhuisrijksmonumenten is gepubliceerd en biedt eigenaren van grote niet-woonhuis rijksmonumenten een nieuwe financieringsmogelijkheid voor restauratiewerkzaamheden. De regeling vloeit voort uit een verkenning van het financieringsstelsel voor monumentenzorg uit 2024, waaruit bleek dat de bestaande financieringsmogelijkheden voor eigenaren van grote rijksmonumenten ontoereikend zijn.

Eigenaren van groene monumenten zoals parken en tuinen, overige niet-woonhuis rijksmonumenten of een combinatie hiervan kunnen subsidie aanvragen voor restauratiekosten. Hierbij geldt als voorwaarde dat de subsidiabele restauratiekosten meer dan € 2,5 miljoen bedragen. Voor groene monumenten geldt een lager drempelbedrag van € 1 miljoen. Per aanvraag kan slechts voor één rijksmonument, zelfstandig onderdeel of samenstel van rijksmonumenten subsidie worden aangevraagd. Gemeenten die eigenaar zijn van dergelijke monumenten kunnen ook in aanmerking komen voor deze subsidie.

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, waarbij de subsidiabele kosten zijn gemaximeerd op € 10 miljoen per aanvraag. Voor eigenaren die vennootschapsbelasting betalen geldt een lager maximumpercentage van 30%. Professionele organisaties voor monumentenbehoud (POM’s) komen altijd in aanmerking voor het maximale subsidiepercentage van 50%. De subsidie mag worden gecombineerd met subsidies van decentrale overheden, wat de financieringsmogelijkheden verder vergroot.

Aanvragen kunnen jaarlijks worden ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 1 september tot en met 15 september. Aangezien de subsidieplafonds voor zowel 2026 als 2027 al zijn gepubliceerd op € 22,5 miljoen per jaar, loopt de eerste aanvraagperiode van 1 september tot en met 15 september 2026. Deze nieuwe regeling biedt gemeenten en andere eigenaren van grote rijksmonumenten een belangrijke financiële ondersteuning om waardevolle culturele erfgoederen te restaureren en voor de toekomst te behouden.

 

De regeling Experimenteerlocaties wordt opnieuw opengesteld voor de stimulering van duurzame bedrijfs- en verdienmodellen in de land- en tuinbouw. De regeling financiert de oprichting en instandhouding van gebiedsgerichte experimenteerlocaties: praktijkomgevingen waar samenwerkingsverbanden kennis en innovaties testen, experimenteren en valideren voor verduurzaming van de land- of tuinbouw. Tijdens de eerste openstelling in 2025 ontvingen drie initiatieven in het Groene Hart, de Achterhoek/Twente en het zuidoostelijk zandgebied een vijfjarige subsidie.

Voor de tweede openstelling is bewust gekozen voor een beperkt aantal nieuwe gebieden om differentiatie ten opzichte van de eerste drie initiatieven te borgen en activiteiten op andere bodemsoorten te stimuleren. De subsidiabele gebieden liggen in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Gelderland, Flevoland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Drenthe, Groningen en Friesland, gespecificeerd op twee- of driecijferig postcodeniveau. Het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten moet liggen in één of meer van deze postcodegebieden.

Naast de geografische beperking zijn er ook technische wijzigingen doorgevoerd om de regeldruk voor subsidieontvangers te verminderen en de regeling efficiënter uit te voeren. Het streven is een gevarieerd, landelijk netwerk van experimenteerlocaties dat verschillende sectoren, landbouwtypen en bodemsoorten omvat, om zo de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw te ondersteunen.

De openstelling loopt van 7 mei tot 18 juni 2026 met een subsidieplafond van € 20 miljoen. Samenwerkingsverbanden die actief zijn in de genoemde gebieden en willen bijdragen aan innovatieve verduurzaming van de landbouw, kunnen binnen deze periode een aanvraag indienen.

Er is een internetconsultatie gestart voor de Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit. Deze nieuwe regeling moet gemeenten en openbare lichamen helpen bij het realiseren van infrastructurele voorzieningen in de omgeving van grootschalige woningbouwlocaties. Denk hierbij aan fietspaden, rotondes, mobiliteitshubs of de aanleg van openbaar vervoer. De regeling treedt naar verwachting in werking op 1 juli 2026.

Gemeenten en openbare lichamen waarmee afspraken zijn gemaakt in het kader van een bestuurlijk overleg over de financiering van bovenplanse infrastructurele voorzieningen kunnen een specifieke uitkering aanvragen. De regeling is complementair aan bestaande regelingen: een specifieke uitkering kan alleen worden aangevraagd voor voorzieningen die niet in aanmerking komen voor financiering op grond van de regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten of de Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig en duurzaam gebruik van mobiliteitsinfrastructuur 2023-2027.

De hoogte van de specifieke uitkering wordt vastgesteld op basis van de gemaakte bestuurlijke afspraken. Voor 2026 is een budget van ruim € 1,4 miljard beschikbaar. Aanvragen kunnen worden ingediend tijdens drie verschillende aanvraagperiodes, afhankelijk van de afsprakenlijst waarop de aanvraag betrekking heeft. De eerste aanvraagperiode loopt van 2 juli tot en met 27 augustus 2026 voor voorzieningen opgenomen in de afsprakenlijst van het bestuurlijk overleg MIRT van januari 2026. Voor overige aanvragen gelden afzonderlijke deadlines gekoppeld aan de bestuurlijke overleggen MIRT en Leefomgeving.

Deze regeling biedt gemeenten een belangrijke financiële ondersteuning om nieuwe woonwijken goed bereikbaar en ontsloten te maken, wat essentieel is voor het realiseren van de woningbouwopgave. Reageren op de concept-wettekst kan tot en met 10 maart 2026.